Inleiding Privaatrecht · Week 3Onrechtmatige daad
In deze week: wanneer iemand aansprakelijk is voor schade die hij buiten een contract om veroorzaakt. Je leert de vijf vereisten van art. 6:162 BW uit elkaar te trekken en op een casus los te laten.
1 | De onrechtmatige daad
De onrechtmatige daad is de belangrijkste bron van verbintenis buiten de overeenkomst. De hoofdregel staat in art. 6:162 lid 1 BW: hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden. Wie schadevergoeding vordert, moet dus niet één ding bewijzen, maar vijf.
KernregelDe vijf vereisten zijn cumulatief. Ontbreekt er één, dan strandt de vordering — hoe zielig de casus verder ook is. Op het tentamen loop je ze daarom altijd stuk voor stuk langs, ook de vereisten die evident vervuld zijn.
1.1 | De vijf vereisten op een rij
- Onrechtmatigheid — de gedraging valt in één van de drie categorieën van art. 6:162 lid 2 BW en er is geen rechtvaardigingsgrond.
- Toerekenbaarheid — de daad komt voor rekening van de dader wegens schuld, wet of verkeersopvatting (art. 6:162 lid 3 BW).
- Schade — er is vermogensschade of ander nadeel, te begroten volgens art. 6:95 e.v. BW.
- Causaal verband — zonder de daad geen schade (condicio sine qua non), en de schade is aan de dader toe te rekenen op grond van art. 6:98 BW.
- Relativiteit — de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (art. 6:163 BW).
Tip van Lawbooks: schrijf de vijf vereisten bovenaan je kladblaadje voordat je de casus leest. Je vinkt ze dan af terwijl je leest, in plaats van achteraf te ontdekken dat je de relativiteit vergeten bent — veruit de meestgemaakte fout op dit onderdeel.
1.2 | Wanneer is een gedraging onrechtmatig?
Lid 2 noemt drie categorieën. De derde is de ruimste en in de praktijk de belangrijkste.
- Inbreuk op een recht — een absoluut recht zoals eigendom, lichamelijke integriteit of een intellectueel eigendomsrecht.
- Doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht — schending van een geschreven norm, bijvoorbeeld een veiligheidsvoorschrift.
- Strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt — de open zorgvuldigheidsnorm, sinds 1919 erkend.
Voorbeeld: een caféhouder laat het luik naar zijn kelder openstaan terwijl de bezorger bezig is. Er staat geen wettelijk voorschrift op papier dat dit verbiedt — toch is het onzorgvuldig. Dat oordeel volgt niet uit de wet, maar uit de derde categorie.
Of een gevaarzettende gedraging onzorgvuldig is, weeg je af aan de hand van vier gezichtspunten:
- hoe waarschijnlijk is het dat iemand niet de vereiste oplettendheid betracht;
- hoe groot is de kans dat daaruit een ongeval ontstaat;
- hoe ernstig zijn de gevolgen daarvan;
- hoe bezwaarlijk is het om voorzorgsmaatregelen te nemen.
2 | Toerekening
Onrechtmatig handelen alleen is niet genoeg: de daad moet de dader ook kunnen worden toegerekend. Lid 3 noemt drie grondslagen, die naast elkaar staan.
| Grondslag | Wat het betekent | Typisch geval |
|---|---|---|
| Schuld | Verwijtbaarheid: de dader had anders kunnen en moeten handelen | Onoplettendheid in het verkeer |
| Wet | De wet rekent de oorzaak toe, los van verwijt | Aansprakelijkheid voor kinderen, dieren, opstallen |
| Verkeersopvatting | De oorzaak komt naar maatschappelijke opvatting voor rekening van de dader | Een plotselinge black-out achter het stuur |
Let op: een geestelijke of lichamelijke tekortkoming is géén beletsel voor toerekening — zie art. 6:165 BW. Wie dit vereiste te snel afvinkt met “hij kon er niets aan doen”, verliest punten.
3 | Relativiteit
Het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW beperkt de aansprakelijkheid: er bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zóals de benadeelde die heeft geleden. Je stelt dus drie vragen: beschermt de norm déze persoon, tegen dít soort schade, en tegen déze wijze van ontstaan?
Duwbak Linda: de Staat keurde een binnenvaartschip goed dat later zonk en schade aan derden veroorzaakte. De keuringsnorm bleek te strekken tot de algemene veiligheid van het scheepvaartverkeer — niet tot bescherming van individuele vermogensbelangen van willekeurige derden. Geen relativiteit, dus geen aansprakelijkheid.
4 | Arresten die je moet kennen
- HR 31 januari 1919, Lindenbaum/Cohen — erkenning van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. ECLI:NL:HR:1919:AG1776
- HR 5 november 1965, Kelderluik — vier gezichtspunten bij gevaarzetting. ECLI:NL:HR:1965:AB7079
- HR 7 mei 2004, Duwbak Linda — strikte toepassing van het relativiteitsvereiste. ECLI:NL:HR:2004:AO6012
5 | Zo pak je de casus aan
Stappenplan tentamen: benoem de gedraging, plaats haar in een van de drie categorieën van lid 2, check de rechtvaardigingsgronden, loop toerekening langs (schuld → wet → verkeersopvatting), stel de schade vast, leg het causaal verband en sluit af met de relativiteit. Schrijf per stap één zin conclusie — nakijkers zoeken die zin.
Volgende week bouwen we hierop voort met de kwalitatieve aansprakelijkheden uit afdeling 6.3.2: aansprakelijkheid voor personen, zaken en gebrekkige opstallen. Het schema hierboven blijft dan de ruggengraat van je antwoord.
